Rouw

Sprekende ogen.
Ze zijn moe, tonen verdriet.

Ze besluit een wandeling te maken, het is zulk mooi weer.
Met haar gedachten die alle kanten op dwalen, voelt ze een heerlijk verkoelende bries langs haar gezicht. Maar ze voelt ook haar ogen branden. Ogen die gelukkig toch nog met vreugde kunnen kijken naar de vogels, die vandaag allemaal al volop met de lente bezig lijken te zijn.

Zingend, achter elkaar aan kwetterend, takjes verzamelend. Het gefladder ziet er gezellig uit.
Ze staat even stil, geniet ervan, glimlacht en loopt verder. Zal ze gaan zitten? Daar, op dat bankje vol in de zon, met uitzicht over de polder?

Osdorperpolders

Vanaf het bankje, genietend van de zonnestralen en de rust, tuurt ze door het riet over het water. Opeens verschijnen er twee zwanen voor haar ogen. Ze zijn prachtig en druk bezig met badderen en aan elkaar snuffelen. Als vanzelfsprekend vormen hun lange halzen een hart. Steeds weer.

De vermoeide ogen zien het. Zien ook hoe de zwanen zich vervolgens groot maken en het water van zich af wapperen. De rond spetterende druppels vangen de schittering van de zon. Het ziet er magisch uit.

Plotseling vraagt verdriet om voorrang.
En worden de zwanen troebel.

 

maart 2009

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on LinkedInPin on PinterestEmail this to someonePrint this page